Reken maar dat het beter kan
Als kinderen vanuit de basisschool uitstromen naar havo/vwo, wil je graag dat ze alle vereiste bagage hebben om daar te slagen. Maar bij SKOWF bleek dat het rekenonderwijs gemiddeld genomen achterblijft bij het officiële streefniveau. Dat was aanleiding voor een uitgebreid onderzoek door academisch leerkracht Ilse Borst en twee bovenschoolse rekenspecialisten, Kathalein van Dieren en Sylvia Verhoef. ‘Bij rekenen bestaat bijna goed niet.’
In Nederland zijn referentieniveaus ontworpen voor een soepele overgang van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Bij SKOWF bestond de situatie dat er stichtingbreed meer kinderen verwezen werden naar havo/vwo, terwijl uit de doorstroomtoets blijkt dat velen qua rekenen nog niet op dit gewenste niveau zitten. Ilse: “Dit paste in het landelijke beeld. Maar daar wilden wij ons niet bij neerleggen. We hebben ons de vraag gesteld: hoe kan het beter? Daar hebben we onderzoek naar gedaan.”
Teveel vasthouden aan de methode
Dit onderzoek startte in november 2024. Het bestond uit het uitsturen van enquêteformulieren naar de 22 scholen van SKOWF om het rekenonderwijs in groep 6, 7 en 8 in kaart te brengen. Sylvia: “Daarnaast hebben we op zes scholen interviews gehouden voor meer verdieping. De uitkomsten hebben we naast de wetenschappelijke literatuur gelegd en ook laten toetsen door experts.” Dit mondde uit in een adviesrapport gericht op het leerkrachthandelen onder de titel: ‘Rekenen op verbetering: stappen naar sterker rekenonderwijs’.
Het beeld dat daaruit naar voren komt, concentreert zich rond een paar belangrijke verbeterpunten. Allereerst blijkt dat leerkrachten onvoldoende zicht hebben op cruciale doelen die toewerken naar het gewenste rekenniveau voor hun leerjaar. “Als je dat overzicht wel hebt, kun je beter bepalen hoe je je tijd moet invullen. Nu houdt men teveel vast aan de methode”, aldus Kathalein. Een andere constatering is dat de sterke rekenaars teveel aan hun lot worden overgelaten. Sylvia: “Ja, ze krijgen vaak verdiept lesmateriaal, maar ze hebben ook verdiepte instructie nodig. Soms moet je dan ook accepteren dat dit ten koste gaat van de mindere rekenaars.”
Aantekeningen maken
Over het algemeen is het verstandig dat leerlingen aantekeningen maken en rekenconcepten en bewerkingen uitschrijven, alleen of met elkaar. Kathalein: “Je ziet dat kinderen lang hoofdrekenend tot een uitkomst proberen te komen. Maar naarmate sommen moeilijker worden, komen ze daar niet meer mee weg. Dan moeten ze de rekentaal gaan volgen en die ook stapsgewijs en logisch uitwerken.” Veel komt aan op hoe leerkrachten feedback geven aan leerlingen. Dat je afbakent waar vandaag aan gewerkt moet worden, als groep of als leerling alleen, en ook direct het resultaat daarvan controleert. Kathalein: “Leerkrachten zijn soms terughoudend om kinderen op fouten in sommen te wijzen, omdat ze hun zelfvertrouwen niet willen aantasten. Maar bij rekenen bestaat bijna goed niet. Het is goed of niet goed.” Ilse: “En het is ook niet erg om fouten te maken. Daar leer je van. Zo’n cultuur moet er zijn.”
Betere ondersteuning
Nu de resultaten van het onderzoek bekend zijn, is de volgende vraag: wat gaat ermee gebeuren? De resultaten zijn besproken met directeuren, kwaliteitscoördinatoren en de rekenexperts van de scholen. Veel scholen zijn direct aan de slag gegaan met de aanbevelingen “We weten nu ook beter waar het knelt en kunnen als rekenspecialisten leerkrachten beter ondersteunen en begeleiden. Op deze manier gaan we daadwerkelijk stappen zetten naar sterker rekenonderwijs”, besluit Kathalein.
Kathalein van Dieren -.- Sylvia Verhoef-Postma -.- Ilse Borst